verhalen

Vakantie

‘Een ander keertje.’
‘Maar?’
‘Nee, een andere keer.’
‘En de dierentuin?’
‘Papa heeft het druk.’
‘Mag ik een ijsje?’
‘Paula, hou op met zeuren.’
‘Hoi, ik ga met mijn vader naar de Efteling.’
‘Nee, dat gaan we niet, hou je nou op? Wie was dat meisje?’
‘Van school… krijg ik dan een patatje?’
‘Paula, voor de laatste keer, stop met zeuren!’
‘Nou moe, ik vind het niks leuk.’
‘Als je stopt met zeuren, mag je misschien iets uitzoeken in de snoepwinkel.’
‘Ik wil geen snoep.’
‘Dan krijg je niks.’
‘Dat heb ik al.’
‘Niet zo brutaal… en loop een beetje door!’
‘Ik heb maar kleine beentjes.’
‘Ja, en een grote mond.’
‘O, kijk, wat schattig, die zijn zeker pas geboren. Lief, hè?’
‘Doorlopen, je krijgt geen hond, daar hebben we het vaker over gehad.’
‘Als ik later groot ben, dan neem ik er drie, van die hele grote die boze papa’s eten. Au!’
‘Wat je later gaat doen is nog ver weg, mama niet, die zit op je te wachten.’
‘Waarom gaan we niet met de bus?’
‘Omdat lopen goed is voor je. Kijk me niet zo brutaal aan.’
‘Jij hebt grote benen, dat is niet eerlijk. Kijk, het zwembad is al open.’
‘Ja, vraag maar aan je moeder.’
‘Debbie zegt dat scheiden leuk is, dan krijg je niet een maar twee cadeautjes. Waarom krijg ik niks? Au… Ik denk dat ik een bult op mijn hoofd heb.’
‘Stel je niet aan.’
‘Bij mama is het veel leuker.’
‘Fijn.’
‘Mag ik een opblaaskonijn met vleugels?’
‘Waar heb je het nou weer over?’
‘Of een teddybeer op wieltjes? Een speelkasteel met witte paarden. Een op afstand bestuurde… AU!’
‘Nou nog een keertje en ik leg je hier op straat over de knie.’
‘Papa?’
‘WAT!’
‘Stel je voor dat er geen geld meer bestaat.’